Ja, het is alweer een hele poos geleden dat ik nog iets van me liet horen. En nee, dat kwam niet omdat tolstoij zich van de eerste de beste brug heeft gegooid. Verre van – ik heb er een paar van de fijnste, opwindenste maanden uit mijn hele leven opzitten. Hoe dat komt? Een kleine wijziging in mijn dieet, wat aangepaste lichaamsbeweging (“deep running” noem ik het) en een verderzetten van mijn meditatie lijken steeds meer vruchten af te werpen. Hoera! Hoera! dus… Enkele van mijn inzichten heb ik nu op papier gezet en laten uitgeven bij unibook.com. Het resultaat heet “Geluk als exacte wetenschap” en je kan een fragment lezen als je op deze link http://www.unibook.com/unibook/site/bookdetail/?bookid=7055 klikt. Allen daarheen!
Wat reclame
Opgeslagen onder Uncategorized
Chemiligie
Ik heb net Richard Dawkins’ “God als misvatting” gekocht. Het boek dat fulmineert tegen alle theïstische godsdiensten is op weg om een ware hype te worden – als het dat al niet is – zodanig zelfs dat het een schietschijf geworden is voor groeperingen die zich geroepen voelen om hun respectievelijke opperwezens te verdedigen.
Ik heb het boek nog niet gelezen – ik heb het bovenaan mijn “nog te lezen”-stapeltje gelegd; maar de titel intrigeert me. De voorbije weken heb ik me vaak de vraag gesteld of ik mezelf als atheïst zou omschrijven, of dan toch eerder voor het “laffere” agnost zou kiezen. Ik ben er nog niet helemaal uit. Atheïsten zetten zich af tegen godsdienst en ontlenen daarom hun identiteit onrechtstreeks van datgene dat ze zo verafschuwen. Wie spinnen haat en zijn hele dag zo indeelt dat hij zo weinig mogelijk met spinnen in contact komt, in hoeverre kan je die persoon dan nog vrij noemen? Het is dan ook geen toeval dat sommige atheïsten even doctrinair zijn als hun theïstische tegenhangers. Zou ik mezelf dan toch maar agnost noemen? “Agnost” is eigenlijk gewoon een sjieker woord voor “ik zou het in godsnaam (?) niet weten”. Misschien is dat wel de enige mogelijke optie. Een mens die zich een beeld van het transcendente probeert te vormen, is dat niet zoiets als een mier die hogere algebra probeert te vatten? Zijn wij als biologische wezens in staat om het goddelijke te ervaren?
Toen ik eerstejaarsstudent was in Leuven, stootte ik in mijn cursus middelnederlandse letterkunde op de mystieke gedichten van Hadewijch. Daarin beschreef ze – met een soms gênante openhartigheid – haar ervaringen met het Hogere, hoe de aanwezigheid van Christus haar lichaam met een gloed vervulde en een gevoel van eenheid met alles wat leeft. “Dat mens had gewoon een orgasme,” fluisterde één van mijn medestudenten – dat was toen nog voldoende om de lachers op zijn hand te krijgen. Ik ging daar niet mee akkoord – ik vond Hadewijch gewoon een poseur, of in het beste geval een domme boerentrien die zichzelf wat wijsmaakte. Nu weet ik het zo goed niet meer.
Hadewijch was ongetwijfeld een verstandige vrouw – dat blijkt uit tal van haar geschriften. Hoogstwaarschijnlijk was ze ook oprecht. Waarom ik dat denk? Omdat ik zelf ook al eens een mystieke ervaring heb gehad, die net zo aanvoelde als wat Hadewijch beschreef. Alleen had ik die niet tijdens het uitvoeren van één of ander religieus ritueel, maar gewoon na een uur intensief lopen. Atleten hebben er zelfs een naam voor: “runner’s high”. Runner’s high is een vrij goed gedocumenteerd fenomeen en wetenschappers zijn zelfs in staat om de stoffen te identificeren die er verantwoordelijk voor zijn. Diezelfde stoffen komen ook vrij tijdens bepaalde ademhalingsoefeningen en meditatie. Zou het dan niet mogelijk kunnen zijn dat wanneer mensen over “de kracht van het gebed” spreken, in feite de heilzame gevolgen van ademhalingscontrole of relaxatie bedoelen?
Als dat zo is, is er natuurlijk geen man overboord. Dan zou dit slechts betekenen dat monotheïsten oprecht geloven dat bitten een heilzame invloed heeft op hun levensaanvoelen. Toch heeft deze situatie een zeer nefast gevolg. Aangezien wereldreligies – ondanks enkele aarzelende oecumenische pogingen – het monopolie claimen op het Hogere, hebben ze er alle baat bij om alle andere wegen naar spiritualiteit te blokkeren. Een recent voorbeeld hiervan is te vinden in Indonesië, waar de moslimautoriteiten bepaalde vormen van yoga hebben verboden omdat die het geloof van oprechte moslims zou kunnen aantasten. Kerken en religies plaatsen zich als het ware als een soort gate-keepers tussen mens en spiritualiteit, waarbij ze zich een in se biologische reactie gaan toeëigenen en exploiteren als zijnde “religieus”. Het spijtige gevolg hiervan is dat veel mensen, die zich niet kunnen vinden in de religieuze denkwereld, dan ook maar elke vorm van spiritualiteit gaan afwijzen. Het is alsof je maar op een fuif zou worden toegelaten als je tien jaar notenleer hebt gevolgd. Terwijl je ook van muziek kan genieten, natuurlijk, als je – net zoals ik – geen jota van muziek begrijp.
Pas als we zogenaamde “religieuze” ervaringen zien voor wat ze zijn – biologische reacties op bepaalde gedragingen – dan pas kunnen we de universaliteit van spiritualiteit onderkennen, als een ervaring die voor iedereen toegankelijk is – ongeacht welke religie of levensbeschouwing men aanhangt. En dat lijkt me toch beter dan strijdende religies die elk claimen een exclusiviteitscontract met de Allerhoogste te hebben afgesloten…
Opgeslagen onder Uncategorized
Buik (2)
In enkele van mijn vorige posts heb ik het al gehad over de kracht van meditatie. Niet meditatie in de “hocus pocus”-zin van het woord, maar meditatie als een wetenschappelijk onderbouwde methode om je geest te kalmeren.
Mediteren is echter niet altijd mogelijk. Soms zijn we zo geraakt door bepaalde gebeurtenissen, ondersteboven van bepaalde emoties dat we ons onmogelijk op onze ademhaling kunnen concentreren. In zulke gevallen – maar niet alleen dan – neem ik mijn toevlucht tot enkele yoga-ademhalingstechnieken. In tegenstelling tot meditatie waarbij je gewoon je ademhaling volgt, ga je bij yoga je ademhaling manipuleren – zij het op een zachtaardige manier. Het principe is simpel: als je je lichaam laat geloven dat het zich in een ontspannen toestand bevindt, dan volgt de geest vanzelf.
Het aantal yoga-ademhalingstechnieken is quasi onbeperkt. Het internet bulkt van de goedbedoelde raadgevingen, “onmisbare” hulpmiddelen, ongeloofwaardige gezondheidsclaims etc. Ikzelf ben niet zo te vinden voor mantra’s, chakra’s enz. Ook voor wierook en andere snuisterijen ben ik niet echt te vinden – de essentie van yoga ligt ‘m in de ademhaling en de verschillende asana’s (posities). Hoe interessant en gezond de asana’s ook mogen zijn, mijn interesse gaat toch vooral uit naar de ademhalingstechnieken (pranayama) – die zijn namelijk overal toe te passen (toch de minder luidruchtige varianten) op gelijk
welk ogenblik. Die gedachte alleen al is zeer geruststellend. Momenteel oefen ik mezelf in de volgende technieken:
1. de complete ademhaling: deze techniek bestaat uit vier onderdelen – a) de inademing (4 tellen): hierbij vul je opeenvolgend je buik, de middenste longkwab (door je ribben uiteen te zetten) en je borstkas (door je schouders naar achter te trekken) b) het vasthouden: je houdt de lucht vast (door je mond te sluiten en je kin naar je borstkas te brengen) zolang dit comfortabel aanvoelt – bij mij is dat 16 tellen c) het uitademen (8 tellen): eerst de borstkas leegmaken, dan je buik d) de rustfase (2 tellen). Deze cyclus herhaal ik 20 keer. Dit is ideaal om te ontspannen en kan gelijk wanneer worden uitgevoerd. Opgelet: de hele cyclus moet zonder spanning en geluidloos verlopen. Het is dus niet de bedoeling dat je piepend op intensive care belandt…
Daarnaast ben ik ook een fan van (voor een volledige, professionele beschrijving verwijs ik graag naar de wikipedia-pagina: http://nl.wikipedia.org/wiki/Pranayama)
2. breath of fire: is een echte energizer – de “natural high” bij uitstek
3. afwisselende neusademhaling: kalmeert – logisch want je moet je volledig concentreren om deze goed te kunnen
En ja, als iemand me een jaar geleden had gezegd dat ik me met yoga ging bezighouden, dan had ik hem eens goed uitgelachen. Doe gerust hetzelfde, maar niet voordat u even heeft geprobeerd…
Opgeslagen onder Uncategorized
Geluksmachine
Endorfines. Dopamine. Serotonine. Neurotransmitters waarvan de namen stilaan tot het huis-tuin-en-keukenvocabularium van de gemiddelde Vlaming zijn gaan behoren. Deze stoffen zouden verantwoordelijk zijn voor het geluksgevoel waar zoveel mensen naar op zoek zijn. Meer nog, mensen slikken pillen, vreten zich kapot, roken, drinken, vrijen, begaan allerlei stommiteiten alleen maar om zich goed te voelen, om – want daar komt het toch op neer – deze stofjes in hun hersenen te laten circuleren.
Geluk is nochtans heel gewoon. Meer nog, volgens mij is het zelfs het basisgevoel van de mens. De bovengenoemde neurotransmitters komen namelijk allemaal vrij tijdens zogenaamde aërobe lichaamsbeweging (waarbij de hartslag tussen de 70 en 80 procent van de maximumhartslag bedraagt). Lopen is de meest natuurlijke vorm van aërobe training, aangezien dit ook de “sport” was die de prehistorische mens moest beoefenen om aan eten te geraken (jacht etc.).
Ons brein is nog steeds dat van een jager – de 10.000 jaren waarin de mens sedentair geworden is zijn te kort om genetisch een indruk achter te laten. Het is evolutionair gezien logisch dat ons brein die activiteiten beloont die nodig zijn om de soort in stand te houden: jagen, vrijen, bewegen etc. Jammer genoeg is de maatschappij sneller geëvolueerd dan ons brein en moeten we met stenentijdperkhersenen overleven in een wereld waar we nog zelden echt moeten bewegen om te overleven, waardoor we sowieso met onevenwichten in onze hersenen komen te zitten – met als gevolg een heel scala aan psychische stoornissen die dan weer met te dure medicijnen worden bestreden.
Bepaalde mensen zijn mentaal kwetsbaarder dan anderen. Hoe dat komt, is moeilijk vast te stellen. Eén aanpak die de bal volledig misslaat is de moralistische visie: sommige mensen zouden “te weinig karakter” hebben, “gebrek aan ruggengraat” of “gewoon slecht” zijn. Zo werd ADHD tot diep in de twintigste eeuw als een moreel gebrek aanzien. In plaats van mensen te helpen, leidde die aanpak ertoe dat patiënten nog meer geïsoleerd raakten en naast hun mentale problemen nog eens met een schuldgevoel werden opgezadeld, iets wat tot nog meer stress en dus nog meer agressie leidde.
Wat mij opvalt bij mensen met ADHD – en bij mezelf – is dat ze altijd uitdagingen zoeken. Sommigen doen dat op fysiek vlak, ander op mentaal vlak en bij gebrek aan uitdagingen creëren ze er zelf wel: door conflicten, gepieker, fantasie etc. Het lijkt alsof ze meer nodig hebben dan anderen om gelukkig te zijn. Hun hele leven kan je als een zoektocht zien naar spanning die vaak ontaardt in een neerwaartse spiraal – je kan nu eenmaal geen leven blijven vullen met nieuwe ervaringen, piekmomenten etc.
Stel nu – puur hypothetisch – dat ADHD’ers een cardiovasculair systeem hebben dat uitstekend functioneert in een natuurlijke setting. Zij zijn de hardlopers, de jagers – zij die altijd net een stukje verder en sneller moeten lopen om endorfines en de hele santeboetiek te produceren. Hoe dat komt? Geen idee. Misschien hebben ze een hogere maximumhartslag – of stijgt hun hartslag niet zo snel als bij anderen, of… Op zich is dat geen probleem, meer nog het is zelfs een troef: zij krijgen de grootste mammoeten op hun bord. Hiep hiep ADHD dus. Helaas leven we nu in een maatschappij waarin lichaamsbeweging niet zo evident is, waar lopen etc. als ongelofelijk “saai” of “afstompend” wordt gezien (zeg mij wat), waar er een heleboel andere – minder vermoeiende – manieren bestaan om je “high” te krijgen. Dat heeft vooral gevolgen voor hen die de hele tijd ferm onder hun cardiovasculaire potentieel presteren omdat ze fysiek veel meer aankunnen, zij voor wie een wandelingetje naar het werk, een knuffel van vrouwlief etc. net niet voldoende is om de juiste neurotransmitters los te weken. Deze individuen zijn de eerste slachtoffers – de kanariepietjes – van een letterlijk ont-aarde manier van leven. Zij zullen namelijk alle energie die ze niet fysiek kwijt kunnen, mentaal gaan opbranden: zowel in positieve (creativiteit, ambitie…) als in negatieve (verslavingen, angsten, agressie…) hersenactiviteiten.
Sport is net voor deze groep van levensbelang – niet voor hun fysieke, maar vooral voor hun mentale welbevinden. Niet zomaar sport, maar lichaamsbeweging die extra intensief is en ook wat vaker dan bij andere stervelingen (zo’n 20-30 minuten per dag aan zo’n 80% van mijn maximumhartslag doet de job voor mij). Dat is voldoende om mijn oermensbrein gelukkig te maken. Lopen is namelijk niets anders dan de symbolische enscenering van een succesvolle jacht. Vandaar het gevoel van welbevinden, de mentale rust etc. na een partijtje lopen.
De Amerikaanse psychiater John Ratey (de man heeft zelf ADHD) heeft een heel boek over de link tussen lichaamsbeweging en mentaal welbevinden volgeschreven. Ik kan het alleen maar ten stelligste aanbevelen: http://johnratey.com/newsite/index.html Het doet wel wat te Amerikaans aan, maar hé de bedoeling is goed!
Rousseau had dus toch gelijk: Tout est bien sortant des mains de l’Auteur des choses ; tout dégénère entre les mains de l’homme.” (we laten in het midden wie of wat die “Auteur” is). Wie zijn ware jagersinstinct volgt – al is het onder een minder bloeddorstige vorm, zet een mooie stap in de richting van tevredenheid.
Opgeslagen onder Uncategorized
De gouden acht!
Soms zijn er van die dagen dat alles grijs/zwart lijkt – dat de depressie niet ver weg lijkt – dat je jezelf niet kan inbeelden dat het ooit beter wordt – dat er diep in je buik een immense leegte lijkt te gapen – dat de ADHD-piekerkriebel weer toeslaat… Wel voor zulke dagen – wanneer zelfs opstaan een hels karwei lijkt – heb ik de volgende tips bijeengesprokkeld. Ze werken altijd – snel! – hoe negatief je er eerst ook tegenover kan staan.
In dalende volgorde van inspanning…
1) een halfuurtje lopen (liefst na het nuttigen van een banaan of zwarte chocolade): dit is een klassieker – lichaamsbeweging activeert een heleboel neurotransmitters, doet de endorfines stromen etc…
2) een kwartiertje mediteren: minder “heftig” dan lopen, maar hé je moet er zelfs je bed niet voor uit
3) glimlachen – bulderlachen: op zich niet zo moeilijk, maar in echt zwarte periodes héél moeilijk om er zelfs maar aan te beginnen en toch… zelfs een waterglimlachje doet al wat endorfines vrijkomen en zet zo een proces in gang dat zichzelf alleen maar versterkt – je gezicht masseren tijdens het lachen zou ook helpen
4) bananen, dadels en zwarte chocola eten – deze voedingswaren staan niet voor niets bekend als ware “feel good foods” – duurt een halfuurtje voor je er iets van merkt
5) vitamines en omega-3: op lange termijn zeker een aanrader, maar helaas niet al te snel qua resultaat
6) wenen: lijkt niet zo leuk, maar hé – ik heb nog nooit iemand ontmoet die zich na een potje wenen niet wat beter voelt
7) (op een stoel of op het toilet) – je hoofd tussen je benen steken en 15 keer in- en uitademen (meetellen!) en dan LANGZAAM terug rechtkomen- deze simpele actie produceert een instant high! Vraag mij niet hoe het komt – een betere doorbloeding van de frontale hersenkwab – maar mijn hartslag gaat ook altijd flink naar beneden.
8) medicatie – voor mij het laatste redmiddel (mijn potje Concerta staat op het nachtkastje)
Hopelijk ben je er iets mee…
Opgeslagen onder Uncategorized
Lachen!
Sommige waarheden zijn zo cliché dat ons intellect ze weigert te aanvaarden. Dat is spijtig. Sommige uitspraken verdienen namelijk een tweede kans. Zo is er de tenenkrullende dooddoener ‘Lachen is gezond.’ Deze wijsheid wordt meestal gedebiteerd door lieden van twijfelachtig allooi die al enkele alcoholische drankjes achter de kiezen hebben. De uitspraak volgt bovendien meestal op een belegen oneliner of dito Druivelaarskalendermop.
De lach is echter een interessant gegeven dat te weinig serieus wordt genomen (ik weet het: ook dit is een cliché). Bij mijn weten heeft maar één filosoof ooit de lach besproken en dat is Henri Bergson – in zijn werk met de toepasselijke titel Le Rire.
De meeste filosofen zijn intellectuelen in de engste betekenis: veel hersenen maar weinig lichaam. Lachen is nochtans een fundamentele menselijke bezigheid – die verder teruggaat in de tijd dan gelijk welke soort humor. Let wel, lachen is geen exclusief menselijk terrein – ook apen, chimpansees en zelfs ratten doen het (zie http://news.nationalgeographic.com/news/2005/03/0331_050331_animallaughter.html)- hoewel die laatsten niet echt bekend staan om hun subtiele gevoel voor humor. Lachen is een instinct – een instinct dat spanningsverminderend werkt. Is het u ook al opgevallen dat gespannen mensen meer lachen? Die halfslachtige zenuwlach is natuurlijk niets vergeleken met de volle, genereuze buiklach. Als een mens lacht, dan gaat zijn hartslag eerst een stuk omhoog (dat is logisch: een buiklach doet de spieren samentrekken en is even inspannend als een partijtje roeien – denk maar aan mensen die zich letterlijk doodlachen). Daarna – in de héhé-ontspanningsfase – gaat de hartslag een stuk naar beneden. Bij mezelf kan dat een verschil maken van om en bij de 15 hartslagen per minuut. Ook de buikspieren ontspannen zich – zoals na een potje rennen. Tel daarbij de endorfines en andere feel good-hormonen die na het lachen vrijkomen en u begrijpt dat lachen een gezonde sport is, één die u bovendien altijd en overal kan beoefenen.
Lachen is natuurlijk meer dan dat. het is ook een sociaal spel: het valt op hoe mensen in groep meer of net minder gaan lachen – al naargelang bepaalde leiderstypes lachen of niet. Wat ook opvallend is, is dat bij ondertitelde reeksen mensen pas gaan lachen als de grappige uitspraak effectief is uitgesproken en de lachband in actie schiet. De lachband – hoe verfoeilijk ook – beïnvloedt ons allemaal, zelfs hen die beweren er immuun voor te zijn.
Depressieve mensen geven vaak – en dit is echt een open deur – aan dat ze weinig lachen. Wetenschappers raken er steeds meer van overtuigd dat het hier om tweerichtingsverkeer gaat: wie vrolijk is, lacht veel maar dus ook: wie lacht, wordt daar vrolijk van.
Deze schijnbaar banale vaststelling heeft mogelijk verstrekkende gevolgen voor de behandeling van depressies en het verbeteren van onze levenskwaliteit in het algemeen. Wie zich down voelt, moet gewoon lachen. Dat lijkt onmogelijk: wie zich down voelt, voelt zich niet direct geroepen om in een potje bulderlachen los te barsten. De oplossing is bijzonder simpel: als je om niets kan lachen – moet je net dat doen: om niets lachen. Gewoon een – toegegeven fake – bulderlach inzetten. Dit mag bijzonder fout klinken, zomaar lachen is nu eenmaal voorgehouden voor gekken en kinderen. En toch… Er zijn verschillende goede redenen om het tenminste eens te proberen… Ons lichaam kent vooreerst niet het verschil tussen een kunstmatige en een oprechte lach: beiden hebben hetzelfde opwekkende effect (denk maar aan de boeddhistische ‘halve glimlach’). Ten tweede zal de fake lach vaak overgaan in een welgemeende bulderlach die zich soms moeilijk laat stoppen. Ten derde brengt lachen u in een veel receptievere bui zodat u ook smakelijker zal lachen als u goede humor tegenkomt. Ten slotte brengt een lach ons 100 procent terug in de realiteit, doet het de buikspieren ontspannen waardoor buikademen veel vlotter loopt en is het dus een ideale opwarmer voor een meditatiesessie. (het is trouwens een van de weinige activiteiten die beide hersenhelften grotendeels activeert en stimuleert). Kortom: lachen heeft alleen maar voordelen. Ik ben trouwens niet de enige die dat denkt: zo bestaan er heuse lachclubs en bestaat er zelfs zoiets als lachyoga (http://www.yogajournal.com/health/2533 ). Toegegeven, je kan het lullig vinden – gezette zakenlui en bekrulspelde huisvrouwen die een soms geforceerde lach ten berde brengen – maar hé, wie zijn wij om een ander zijn geluk te misgunnen?
Opgeslagen onder Uncategorized
Wat meditatie me leert (3)
6) niets moet. Als ik mediteer, merk ik maar al te vaak dat ontspannen me pas lukt als ik er niet te veel op gefocust ben, als ik mezelf niet constant voorhoud “en nu moet ik me ontspannen”; die gedachte is voldoende om zelf de rustigste mens door het dak te jagen. Dit merk ik ook op vakantie: hoeveel mensen zijn net gestresseerd als ze op vakantie vertrekken. De gedachte dat ze van elke seconde moeten genieten, maakt hen nog lichtgeraakter dan ze al zijn. En… ze verliezen daardoor ook het nieuwe en het onbekende uit het oog dat zich elk moment aandient – terwijl dat toch de reden is waarom mensen reizen, zou je zo denken!
7) meditatie is sport voor “luie” mensen: Het gevoel na tien minuten mediteren lijkt op dat na een potje lopen – diezelfde ontspanning, warme aanwezigheid… Ik ben zo vrij om hier een wetenschappelijke verklaring rond te bouwen. Zowel lopen als meditatie ontspannen de spieren. Ze doen dat op twee verschillende manieren: bij lopen spannen de spieren zich eerst heel hard op om zich daarna van alle spanning te ontdoen (dit is een principe dat in veel relaxatieoefeningen wordt toegepast: als je je spieren opspant en daarna weer ontspant dan is de eindspanning een stuk lager dan de beginspanning). Dit principe is ook de basis van een heleboel andere ontspannende activiteiten – waarbij ontlading (letterlijk: als een batterij) centraal staat. Denk maar aan het licht euforische gevoel na een ritje in de achtbaan: extreme spanning leidt tot extreme ontspanning. Die ontspanning vertaalt zich vaak in een diepere buikademhaling – iets dat ook weer een ontspannend effect heeft.
Mediteren slaat het spanningsgedeelt over en gaat rechtstreeks over tot de ontspanning. Dit is een minder omslachtige weg naar de ontspanning, maar – ik moet toegeven – de ontspanning na 12 kilometer lopen is toch een stuk sterker dan die na 10 minuten meditatie.
8) meditatie leidt tot onthechting. Als mensen ontdekken dat ze niets (werkelijk niets) nodig hebben om zich goed te voelen, behalve hun ademhaling – dan pas zullen ze ook beseffen dat de rest hooguit “optioneel” is om zich vredevol te voelen. Toegegeven, een geliefde verliezen of een kostbaar eigendom, is onbeschrijfelijk erg (onthechting is niet hetzelfde als bindingsangst – ook hier geldt de wet van de mate), maar de gedachte dat dergelijke verliezen wel verdriet met zich meebrengen, maar dat dat verdriet kan beleefd en doorleefd worden in een open ruimte, zonder angst, is dan weer een troost op zich. Dit intuïtieve gevoel heeft er bij mij voor gezorgd dat ik me minder vastklamp aan mijn “geluk” zodat ik eindelijk de ruimte heb gekregen om er daadwerkelijk van te genieten.
9) gevoelens zijn geen gedachten. Of omgekeerd. Gevoelens zijn vluchtig, gedachten niet – we schrikken ergens van, ons lichaam krimpt ineen, we voelen ons (fysiek) slecht. Een uur later zou ons lichaam het hele voorval al vergeten kunnen zijn MAAR onze geest heeft de kwalijke gewoonte om de pijnlijkste momenten uit ons leven – als ware het eerste seizoen van FC De Kampioenen – te blijven herhalen. Die herhaling doet ons telkens weer die fysieke angstreflex ondergaan, zodat die herinnering ook fysiek slopend wordt. Veel mensen hebben dan de reflex om pijnlijke herinneringen helemaal te onderdrukken of ermee in discussie te gaan, wat natuurlijk niet werkt (vergelijk het met een automobilist die je de pas heeft afgesneden: als je begint te discussiëren, dan zal dat de stress alleen maar verhogen). Meditatie geeft je een soort vrijhaven (een soort labo) waar je je negatieve gedachten kan herbeleven in een “veilige” setting, een ontspannen toestand. Je laat de gedachte toe en blijft je intussen focussen op je ademhaling – zo kan je negatieve gedachtenpatronen van hun fysieke reactie loskoppelen en uiteindelijk ook doen wegwaaien in de orkaan van je adem.
Opgeslagen onder Uncategorized
Wat meditatie me leert (2)
3) het hier en nu is sterker dan elke herinnering of elke vrees voor de toekomst. Angst is niets anders dan een vertekende voorspelling op basis van een negatieve herinnering. Sommige herinneringen doen letterlijk pijn. Dat belet onze geest niet om ze keer op keer weer op te rakelen. Wat me daarbij opvalt, is dat elke angst ook een fysieke component heeft. Bepaalde gedachten doen ons letterlijk in elkaar krimpen van schaamte, woede etc. Andere herinneringen doen me bijna kokhalzen etc. Focussen op de ademhaling helpt om alvast die fysieke reacties uit te schakelen, of letterlijk “weg te ademen”. Het lijkt misschien vreemd maar dat haalt de scherpe randjes van heel wat zwarte gedachten. Dan pas kan ik onbevooroordeeld naar die gedachten kijken en hen “ontmaskeren” voor wat ze zijn: constructies van een babbelzieke geest.
4) lichaam en geest zijn één. Diep vanbinnen zijn we nog allemaal platonisten. We hebben nog altijd de schadelijke gewoonte om de geest boven het lichaam te plaatsen. De gedachte dat lichaam en geest gewoon twee uitingsvormen zijn van hetzelfde (ons “ik”) kunnen we wel intellectueel vatten, maar dat belet ons niet om het in ons dagelijkse leven te verwerpen. Zo hebben we nog altijd de schadelijke gewoonte om onze mentale problemen mentaal aan te pakken, terwijl dat ook lichamelijk kan. Als onze geest geen uitweg weet, is het handig om je te focussen op het lichamelijke – zodat we terug in het heden terechtkomen. Dan pas kan je zien hoe weinig van onze problemen zich echt in het heden situeren.
5) de mens is van nature goed. Wat me ook opvalt: na elke meditatiesessie voel ik me een stuk meer ontspannen. Die ontspanning gaat altijd gepaard met een soort welwillende openheid naar de realiteit. Ik merk dat ik zachter ben, vriendelijker etc. Het kost opeens geen moeite meer om iets voor anderen te doen. Dit wil niet zeggen dat ik vroeger een onbeschaafde beotiër was, maar als ik iets deed voor een ander dan had ik daar toch vaak de gedachte bij “ik doe dit voor die ander – of omdat ik dat moet van mezelf”. Die gedachte diende dan als een soort troost. Als ik volledig ontspannen ben, ga ik exact hetzelfde handelen, maar eerder omdat ik dat zelf wil, omdat het zo verrekt natuurlijk/logisch lijkt. De wetenschap geeft me daarin gelijk: veel studies tonen aan dat ontspannen mensen veel vaker geneigd zijn om ethisch te handelen. Dat is ook het geval bij dieren.
Deze gedachte is belangrijk voor mij: in een natuurlijke, ontspannen toestand zullen de meeste mensen goed handelen. Pas als ze gestresseerd/angstig zijn loopt het mis. Misschien had Rousseau dan toch gelijk (“Tout est bien sortant des mains de l’Auteur des choses, tout dégénère entre les mains de l’homme”). In die zin slaan veel religies de bal mis: zij leggen mensen normen op die ze “moeten” opvolgen. Ze ontnemen hun gelovigen daarmee het recht om zelf tot die normen te komen, vanuit hun innerlijke – ontspannen – goedheid. Meer nog: die externe normen vormen alleen maar een nieuwe reden om zich slecht (“zondig”) te voelen. Wat opnieuw leidt tot angst, tot… Conclusie: doorleefde religie (die uit de mens zelf voorkomt) kan op zich een goede kracht zijn, maar een religie die zich focust op de zondigheid van elke mens en diezelfde mens wantrouwt – kan alleen maar leiden tot een extern opgelegde moraal, dogmatiek en alle ontsporingen waar onze geschiedenis meer dan genoeg voorbeelden van telt.
Opgeslagen onder Uncategorized
Wat meditatie me leert (1)
Ik mediteer nog maar enkele maanden, dus ik heb niet de pretentie om hier de grote kenner uit te hangen. Het probleem met mediteren is dat je je eigen mediteren niet kan vergelijken met dat van een ander – of je zou elkaars schedel moeten opensplijten en dat strookt nu eenmaal niet echt met de innerlijke vrede die mindfulness-beoefenaars zo hoog in het vaandel dragen. Sommigen zeggen zelfs dat er geen juiste manier is om het te doen. Verkeerde manieren zijn er anders wel genoeg.
Mediteren lijkt nochtans simpel: “ga ergens zitten, focus je op je ademhaling en sta open voor alles wat er komt. Als je merkt dat je afdwaalt, stuur je jezelf zachtjes terug naar je ademhaling.” En toch… het is verdomd moeilijk! Misschien ligt het aan mijn ADHD-natuur, mijn caffeïneverslaving of ik-weet-niet-wat maar op sommige dagen zou ik echt door het plafond kunnen springen! Dan lijkt het me schier onmogelijk om tien minuutjes stil te zitten. Mijn apengeest bestookt me dan de hele tijd met gedachten als “je kan het niet”, “pffff dit is saai”, “zie je daar nu eens zitten”, “mijn gat jeukt” of de meest hardnekkige van allemaal “focus dan toch, loser!”. Vooral de eerste vijf minuten zijn een hel. Als ik echter doorzet kom ik meestal aan een fase van ongekende rust, waarbij tijd en ruimte even wegvallen en plaats maken voor iets waar ik nog geen woorden heb gevonden, en voorlopig “een soort verliefdheid op het leven” noem.
Mijn dagelijkse strijd heeft me toch al enkele wijze lessen opgeleverd – die misschien banaal lijken, maar voor mij heel belangrijk zijn.
1) je moet niets veranderen: mijn geest bestookt me vaak tijdens het mediteren met allerlei “opdrachten”, dingen die ik zou moeten doen om me beter te voelen. Gedachten als “mocht die hand nu ietsje meer naar rechts liggen, dan zou het wat minder jeuken”, “die pantoffel verstoort mijn gezichtsveld” of “zou je niet beter wat verbeterwerk doen?” etc. Het is mijn ervaring dat als je hierop ingaat, je geest direct weer met nieuwe opdrachten op de proppen komt. Concreet: als ik mijn jeukende hand verleg – wedden dat die na vijf seconden weer begint te jeuken? Als ik echter terug op mijn ademhaling focus en mijn hand laat liggen, dan “vergeet” ik die hand gegarandeerd. De levensles die ik hieruit haal is: je hoeft niet altijd dingen in je leven te veranderen om je beter te voelen. Geluk is nu eenmaal een gevoel, dat in bepaalde omstandigheden inderdaad makkelijker te bereiken valt, maar dat niet helemaal afhankelijk is van externe factoren. De kunst is dat je de dingen die in je macht liggen en je geluk vermoeilijken, dat je die verandert, maar dat je de dingen die niet in je macht liggen leert aanvaarden (niet op een intellectueel niveau, maar op een doorleefde, ademende manier).
2) gedachten zijn gedachten, niets meer niets minder. Onze geest praat en praat maar, hele dagen door. Meestal is dat fijn – het houdt ons bezig en verleent aan de realiteit een zekere diepgang. Soms echter vertelt onze geest de grootste onzin. Die onzin valt uiteen in drie grote categorieën: angst, schuld en woede. “Waarom zijn deze gedachten onzin?” hoor ik u vragen. Het antwoord is simpel: omdat ze nergens toe leiden, ze veranderen zelden iets aan de realiteit, maar doen een mens zich gewoon slecht voelen. Meer nog, vaak laten ze mensen dingen doen die ze zich achteraf beklagen. Schuldgevoelens onderscheiden zich van berouw, in die zin dat ze voortkomen uit angst, meerbepaald de vrees om uitgestoten te worden, of om door zichzelf als “slecht” te worden gekwalificeerd. Wie zich schuldig voelt, zal zich ook nooit geroepen voelen om zijn fouten te herstellen – tenzij pro forma om zijn Uber-ich en zijn omgeving tevreden te stellen. Ook woede komt vaak voort uit angst.
Opgeslagen onder Uncategorized
Op bezoek (fictie)
“Hoe voel je je?” vraagt ze.
Ik haat die vraag. Daarmee is het allemaal begonnen. Het ene moment ben je druk bezig, thuis of op het werk en plots vraag je het je af. “Hoe voel ik me eigenlijk?” En dan besef je dat je het niet weet. Daarna begint de ellende.
“Hoe voel je je?”
Haar haren hangen in vettige slierten langs haar gezicht. Ze heeft weinig geslapen. Of misschien zelfs niet.
“Ik weet het niet.”
“Hoe bedoel je “Ik weet het niet.”?” Ze imiteert mijn stem. Daar was ze altijd al slecht in.
“Ik voel niets.”
“Dat kan toch niet?! Iedereen voelt toch iets.” Ze kijkt me aan. Ze is kwaad. Op mij. Haar hand glijdt naar haar handtas. Ze wil een sigaret.
“Alles is grijs.”
“De zon schijnt toch?”
“Ze schijnt grijs.”
“Je stelt je aan.” Ze leunt achterover. Ze wil de afstand tussen ons zo groot mogelijk houden.
Ik haal mijn schouders op. Ik staar naar mijn schoenen.
“Hoe kan je nu niets voelen?” Ze geeft me een uitdagende blik.
“Ik vraag me constant af wat ik moet voelen. Echt waar.”
“Je voelt iets of je voelt iets niet. Ik begrijp niet wat daar zo moeilijk aan is.”
“Wel, ik voel wat spanning in mijn buik. En wat steken in mijn onderrug.”
“Dat is niet echt voelen. Welke emoties bedoel ik?”
“Als je over emoties praat, dan zijn het geen emoties meer. Dan worden het gedachten.”
“Hou me niet voor de gek! Wat voel je? Wat voel je dan?” Dat laatste klinkt smekend.
“Niets.”
“Ben je eigenlijk wel een mens?”
“Natuurlijk. Je kent me toch…” Misschien heeft ze gelijk. Misschien ben ik een monster.
“Dat dacht ik toch.”
Stilte.
“Hou je nog van mij?” Ze klinkt plots fel.
“Ik denk het wel.”
“Dat is niet genoeg.”
“Ik zeg je toch dat ik niets voel!” Ik hoor mezelf roepen. “Begrijp dat dan toch!”
“Waarom ween je dan?”
“Omdat ik niets voel,” zeg ik, terwijl ik huil met de man die niets voelt.
Opgeslagen onder Uncategorized