Angst

Grappig. Nu ja, het hangt ervan af wat je grappig vindt. De naampjes waarmee een mens zijn eigen gevoelens tracht te verklaren. ADHD, ADD, Asperger, depressie, narcisme, Borderline… Het zijn maar enkele labels waarmee ik me de voorbije maanden heb bedacht.  Terwijl die zoektocht naar labeltjes misschien wel het grootste probleem is. Het gepieker in mijn hoofd – zie het als een soort eeuwige regieassistent die met een megafoon in mijn kop staat te schreeuwen. “En … hoe voelt ge u nu eigenlijk?! En waarom?! En zijt ge wel zo gelukkig als ge kunt zijn? En waarom doet ge dit of dat?”

Ik heb dat stemmetje in mijn hoofd zelfs een naam gegeven: Guido (help! ik zal toch niet schizofreen zijn, zeker?!). Ik stel me hem voor als een klein, dik mannetje (ik weet het: stereotypering op basis van uiterlijk is not done, maar hé het is mijn hoofd!) met konijnentanden en uitpuilende hamsterwangetjes. Hij houdt een megafoon vast waarmee hij zijn bedenkingen door mijn schedelpan doet galmen. Soms lukt het me om Guido buiten te gooien (meestal is dat na een potje lopen, comedy of een heel goed boek) en dat zijn de momenten waar ik oprecht van houd.

Dat piekeren is trouwens het gevolg van een andere, nog diepgaandere angst: de angst voor de leegte, het horror vacui (angst 1). Piekeren is misschien erg, maar het is toch nog altijd beter dan niets denken, denk ik dan (no pun intended). Ik ben zelfs bang dat als ik stop met piekeren, dat ik dan minder “diep” ga zijn (angst 2). Het gaat zelfs zo ver dat ik mensen die niet piekeren per definitie “dom” vind. Ik haal er dus ook wat winst uit, uit dat piekeren.

Ik vind het ook altijd grappig om te zien waarover mensen allemaal piekeren. “Zalig zijn zij die kunnen piekeren over de kleur van hun behangpapier,” denk ik dan. “Of over hun uurrooster, hun gazon of nakende barbecue.” Zij weten tenminste waarover ze piekeren – allemaal dingen waaraan iets kan worden gedaan -, ik weet de helft van de tijd niet eens waarover ik nu eigenlijk pieker – tenzij een soort vage Angst, waar ik bijzonder weinig aan kan doen.

Bij gebrek aan reële zorgen, gaan mensen piekeren over dingen waar ze uiteindelijk zelf weinig kunnen aan doen: het gat in de ozonlaag, de Zin van het Leven… Uit een soort intellectuele verveling zelfs. In een wereld waar je elk moment kan worden opgepeuzeld door de verzamelde collectie uit Walking with dinosaurs, lijkt het me nogal logisch dat de filosofie en de psychiatrie op een laag pitje draaien. Misschien ligt daarin wel de oorzaak voor het toenemende aantal depressies in onze maatschappij: bij gebrek aan echte uitdagingen en echte zorgen gaat de menselijke geest – zeg maar bij gebrek aan beter – zelf zijn uitdagingen creëren.  

Depressie is een maatschappelijk fenomeen. Onze maatschappij is geobsedeerd door geluk. De gedachte dat we niet zo gelukkig zijn als we wel zouden kunnen zijn is volgens mij verantwoordelijk voor de meeste vormen van ongeluk. Onder die obsessie met geluk gaat een basale angst schuil: de angst voor de imperfectie (angst 3). Niet dat imperfectie op zich mensen ongelukkig maakt – anders was iedereen ongelukkig – maar de gedachte dat het beter zou kunnen, dat we niet de mens zijn “that we were meant to be” maakt veel mensen diep ongelukkig. Wat natuurlijk zeer ironisch is: de plicht om gelukkig te worden maakt ons net ongelukkig.

Nog een foute gedachte: “the only thing to fear is fear itself” heb ik ooit op mijn bovenarm geschreven. Tijdens mijn hele jeugd heb ik gezien hoe mijn moeder angsten had: ze was bang voor letterlijk alles. Dat ons – haar kinderen – iets zou overkomen, dat God alles zag en haar zou straffen als ze iets fout deed etc. Op een dag – ik was 10 – besefte ik dat ik niet zoals haar wou worden en vanaf dat ogenblik besloot ik sterk te zijn, niet beseffend dat ik daarmee een nieuwe angst aan mijn lijstje toevoegde: de angst om bang te zijn is namelijk ook een angst.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Plaats een reactie